De oudste stad van Vlaanderen werd tot acht keer toe vernield, maar wist vanonder het puin steeds te herrijzen, mooier dan ooit, en z’n derde belfort toont zijn hardnekkigheid om overeind te blijven.
Van het primitieve gebouw blijft er een prachtige gotische zaal over uit de 12de eeuw op de gelijkvloerse verdieping.
De rest dateert uit 1924 en is een voorbeeld van Vlaamse neorenaissancestijl. Als moderne toets werd een roterend licht geïnstalleerd op de bovenste daklantaarn; een manier om eraan te herinneren dat Bailleul een tussenplaats was voor telegraaf Chappe die Duinkerke met Rijsel verbond.
Het klokkenspel luidde gewoonlijk net een minuut voor de mis begon, als gevolg van een oude strijd tussen de klokketorens.
Helemaal bovenaan waakt de sirene Mélusine over de stad. Enkel carnaval kon haar van haar opdracht afleiden. Op ‘vettige dinsdag’ behandelt dokter Piccolissimo aan de voet van het belfort de ‘kankeraars’ en de ‘slecht gehumeurden’ die hun trijpen in de verblijde massa gooien !